Hervorming economisch recht 2018-2019

Uitgebracht op : 18-05-2018 Uitgebracht op :
18-05-2018

In onze nieuwsbrief van 10 april 2018 haalden wij reeds enkele krachtlijnen aan van deze hervorming. In deze nieuwsbrief gaan wij hier uitgebreider op in.

De hervorming van het ondernemingsrecht verloopt in verscheidene “fases”. Twee van hen werden reeds goedgekeurd in 2018. De derde en laatste fase werd goedgekeurd op 28 februari 2019. Deze verschillende fases worden hieronder weergegeven.

EERSTE FASE: Invoering nieuw insolventierecht

Op 11 september 2017 verscheen in het Belgisch Staatsblad de Wet van 11 augustus 2017 die een boek XX toevoegt aan het Wetboek economisch recht.(Wet 11 augustus 2017 houdende invoeging van het Boek XX “Insolventie van ondernemingen” in het Wetboek van Economisch Recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek van Economisch Recht, BS 11 september 2017, 83100). Het boek XX is het resultaat van een samensmelting van de Wet betreffende de continuïteit van ondernemingen, beter gekend als de WCO en de faillissementswet. Het gaat hierbij niet alleen om een loutere coördinatie, er werden ook inhoudelijk ingrijpende wijzigingen doorgevoerd.

Dit nieuw insolventierecht is van kracht sinds 1 mei 2018. De nieuwe wetgeving zal van toepassing zijn voor alle insolventieprocedures die vanaf die datum worden geopend. 

1.     Personeel toepassingsgebied

Eerst en vooral werd het personeel toepassingsgebied van het insolventierecht sterk uitgebreid. Tot de hervorming konden enkel handelaars een beroep doen op de faillissementswet. De WCO had echter wel een uitgebreider toepassingsgebied. Deze procedure was toegankelijk voor handelaars, landbouwers, landbouwvennootschappen en burgerlijke vennootschappen met handelsvorm. De vrije beroepers of vennootschappen van vrije beroepers werden van beide wetten uitgesloten.

Dergelijke begrippen werden vervangen door een nieuw breder criterium, zijnde het begrip “onderneming”.
Dit wordt op basis van drie criteria afgebakend.

      1. Ten eerste gaat het om iedereen natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent.
        Dit is veel ruimer dan het tot op heden gehanteerde begrip handelaar. Dit zorgt er immers voor dat heel wat vrije beroepers, kunstenaars, binnenhuisarchitecten, logopedisten, … ook binnen het toepassingsgebied van het insolventierecht zullen vallen. In zijn advies insinueerde de Raad van State dat de natuurlijke personen die zaakvoerder of bestuurder zijn in een vennootschap ook onder begrip onderneming ressorteren.
      2. Ten tweede is iedere rechtspersoon een onderneming. Ook dit criterium brengt heel wat nieuwe rechtspersonen binnen in het toepassingsgebied. Burgerlijke vennootschappen met handelsvorm konden zich reeds beroepen op de WCO maar zullen vanaf 1 mei dus ook failliet kunnen worden verklaard. Gelet op de aanknoping bij het concept rechtspersoon zullen ook vzw’s en stichtingen binnen het toepassingsgebied vallen. De enige uitzondering die door de wet wordt voorzien is voor publiekrechtelijke rechtspersonen. Zij worden niet beschouwd als ondernemingen in de zin van Boek XX.
      3. Ten slotte wordt ook iedere persoon zonder rechtspersoonlijkheid beschouwd als een onderneming.
        Deze groep beoogt vooral de maatschap, de stille en tijdelijke handelsvennootschap.
        Verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid, zoals feitelijke verenigingen, worden maar als onderneming beschouwd voor zover zij een uitkeringsoogmerk hebben of feitelijke uitkeringen doen aan hun leden of personen die een zekere invloed uitoefenen.

Het aantal personen of entiteiten dat failliet kan worden verklaard of het voorwerp  kan zijn van een procedure van gerechtelijke reorganisatie wordt op die manier aanzienlijk uitgebreid.  Daarnaast werd hiermee het personeel toepassingsgebied van de faillissementswet en de WCO gelijkgesteld.

De rechtbank van Koophandel zal verdwijnen en worden vervangen door een gespecialiseerde rechtbank,
de ondernemingsrechtbank. Zij zal bevoegd zijn voor alle geschillen tussen ondernemingen.

2.     Wijzigingen aan de WCO

Wat de WCO betreft heeft de wetgever de grote principes bewaard.  De ondernemer heeft nog altijd de keuze uit drie doelstellingen, zijnde het gerechtelijk minnelijk akkoord, het collectief akkoord en de overdracht onder gerechtelijk gezag.

Er worden wel een aantal minutieuze wijzigingen doorgevoerd.

3.     Wijzigingen aan de faillissementswet

Ook voor het faillissement zijn de wijzigingen eerder punctueel en blijven de grote lijnen behouden.

Er werd vooral ingezet op maatregelen die een tweede kans voor de ondernemer eenvoudiger moeten maken.

Zo voorziet de wet dat de goederen die de gefailleerde tijdens het faillissement verkrijgt niet langer deel uitmaken van de boedel. Hierbij kan worden gedacht aan inkomsten die naar aanleiding van een nieuwe activiteit worden verkregen.
Er wordt wel in een uitzondering voorzien voor goederen die de gefailleerde verkrijgt naar aanleiding van een oorzaak die het faillissement vooraf gaan. 

Een andere maatregel die kadert binnen de tweede kans voor de ondernemer is de vervanging van de huidige verschoonbaarverklaring door een kwijtschelding. De gefailleerde die een natuurlijke persoon is kan op zijn vraag dan worden bevrijd van de restschulden. Dit kan niet voor de schulden waarvoor de schuldenaar of derden een zakelijke zekerheid hebben gesteld. Daarnaast moet ook de sluiting van het faillissement niet worden afgewacht om uitspraak te kunnen doen over de kwijtschelding.

 4.     Uitbreiding van de bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement

Met de invoering van boek XX werden ook een aantal wetsbepalingen in verband met de aansprakelijkheid van bestuurders overgeheveld van het vennootschapsrecht naar het insolventierecht. Deze titel is van toepassing op alle ondernemingen, met uitzondering van de natuurlijke personen die  zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefenen. 

Onder de oude wetgeving konden enkel bestuurders en zaakvoerders van een nv, bvba of cvba persoonlijk aansprakelijk worden gesteld voor grove fouten die tot een faillissement geleid of bijgedragen hebben. Een eerste verruiming bestaat uit de aansprakelijkheid van bestuurders en zaakvoerders van alle ondernemingen. De reeds bestaande uitzondering voor kleine BVBA’s en CVBA’s blijft behouden en verder doorgetrokken naar kleine vzw’s, ivzw’s en stichtingen.

Deze verruiming heeft ook betrekking op de bestuurdersaansprakelijkheid wegens onbetaalde sociale bijdragen.

Daarnaast voorziet de wet ook in een nieuwe aansprakelijkheidsgrond die toepassing zal vinden voor faillissementen door “wrongful trading”. Er is sprake van wrongful trading wanneer de zaakvoerder en bestuurder de onderneming verder zetten ook al zijn ze zich bewust van het nakend faillissement. De onderneming is dan virtueel failliet en de verlieslatende activiteiten worden verder gezet. De curator zal de bestuurders en zaakvoerder persoonlijk aansprakelijk kunnen stellen ten belope van het netto-passief. Deze aansprakelijkheidsgrond is echter wel niet van toepassing wanneer de vennootschap een kleine vzw, ivzw of stichting is.

5.     Informatisering van de procedure

De nieuwe wet zet ook in op informatisering van de procedure. Er wordt een zo goed als volledig digitale procedure ingevoerd. Via het Regsol-systeem, het Centraal Register Solvabiliteit, konden schuldeisers al sinds april 2017 hun aangiftes van schuldvorderingen elektronisch indienen. Dit systeem kan voortaan ook worden gebruikt voor indiening van allerhande procedurestukken alsook voor de verzending van kennisgevingen en mededelingen.

TWEEDE FASE: Hervorming ondernemingsrecht sensu lato 

Op 15 april 2018 keurde de Kamer het Wetsontwerp goed en de Wet houdende hervorming van het ondernemingsrecht werd op 27 april 2018 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.  Met deze fase van de hervorming nemen we afscheid van de code de commerce, een van de nalatenschappen van Napoleon Bonaparte. De inwerkingtreding is voorzien voor
1 november 2018, behoudens eventuele wijzigingen.

1.     Ontmanteling van het Wetboek van Koophandel

Een eerste punt bestaat uit de ontmanteling van het wetboek van koophandel. Het gaat onder meer over de regels met betrekking tot de wisselbrief en orderbriefje, de protesten en de cheque. Deze zullen worden toegevoegd aan boek VII WER onder een nieuwe Titel 6/1. Daarnaast krijgen de vervoersovereenkomsten ene plaats achteraan Boek X.
En tot  slot zal het bewijs door en tegen ondernemingen deel uitmaken van een nieuw artikel 1384bis B.W..

Inhoudelijk zal er weinig veranderen, behalve op het vlak van bewijsrecht. Zo zal de aanvaarde factuur niet enkel meer gelden als bewijs voor een koop-verkoop maar voor daarnaast ook voor het bewijs van allerlei overeenkomsten.

Na de ontmanteling krijgt het Wetboek van Koophandel de naam “Wetboek van zeevaart, binnenvaart en houdende diverse bepalingen”.  

2.     Coherente omschrijving van toepassingsgebieden in economische wetgeving

Ten tweede staat bij de hele hervorming de coherente omschrijving van de toepassingsgebieden in de economische wetgeving centraal. 

Het  Wetboek van Koophandel werd opgebouwd rond het begrip “handelaar” waarbij het aanknopingspunt gevormd wordt door een lijst van objectieve daden van koophandel. Dit begrip alsook de lijst met objectieve daden van koophandel bleek sterk verouderd te zijn. Dit betekende echter niet dat het begrip handelaar verdween, het bleef immers bestaan voor onder andere het bewijsrecht, de regel inzake hoofdelijkheid tussen handelaars en vooral voor het insolventierecht.
De wetgeving die doorheen de laatste tijden werd bijgemaakt werd niet langer rond dit begrip van handelaar opgebouwd en buiten het Wetboek van Koophandel gehouden.

Met het Wetboek van Economisch recht kwam er een nieuw begrip, namelijk “de  onderneming”.
Het begrip onderneming wordt tot op heden in verschillende wetgevingen op een verschillende manier ingevuld.
Dit is niet transparant en zorgt voor rechtsonzekerheid.

Het Wetboek economisch recht kent reeds sinds 2013 een ondernemingsbegrip. Onder het begrip onderneming wordt verstaan elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen.(Artikel I.1., 1° Wetboek economisch recht.). Hier hanteert men dus een eerder materieel, functioneel ondernemingsbegrip, dat kijkt naar wat de entiteit doet, namelijk een economisch doel nastreven. Of er al dan niet sprake was van het nastreven van een economisch doel zorgde in de praktijk voor discussie.

Deze hervorming haalt dus vooreerst het begrip handelaar weg uit het Belgische recht en zorgt daarnaast voor een uniform gebruik van het begrip onderneming. Zoals reeds hierboven uiteengezet werd met het boek XX WER een nieuw, eerder formeel ondernemingsbegrip ingevoerd. Hierbij wordt zo veel mogelijk gekeken naar de vorm van een onderneming.
Deze omschrijving van het begrip onderneming wordt het nieuwe aanknopingspunt.

Voor bepaalde regels zal het toepassingsgebied worden afgebakend door materiële criteria die verwijzen naar het economische doel. Voor de toepassing van het mededingingsrecht,

het marktpraktijkenrecht en de prijsreglementering blijft een functioneel ondernemingsbegrip behouden. Er zullen dus zowel economische als niet-economische ondernemingen zijn. Daarnaast is voor andere boeken uit het WER het ondernemingsbegrip niet relevant of worden de eigen omschrijvingen behouden.

3.     Hervorming van de Kruispunt van Ondernemingen

De notie van inschrijvingsplichtige ondernemingen zal worden gebaseerd op het nieuwe ondernemingsbegrip.
Voortaan zullen ook vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid verplicht worden zich in te schrijven in de Kruispuntbank van Ondernemingen wanneer zij aan het rechtsverkeer deelneemt en rechten en verplichtingen aangaat met derden.

Ondernemingen die voorheen niet verplicht waren zich te laten inschrijven en op basis van de nieuwe wet verplicht worden, beschikken over een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze wet. Ingeval van inwerkingtreding op 1 november 2018, betekent dit dus dat zij tot eind april 2019 de tijd hebben om zich in te schrijven.

4.     Ondernemingsrechtbank

Zoals reeds werd aangehaald bij de hervorming van het insolventierecht zal de naam van de Rechtbank van Koophandel worden gewijzigd in de Ondernemingsrechtbank. De materiële bevoegdheid van de Rechtbank van Koophandel werd met de wet natuurlijke rechter eerder al uitgebreid naar geschillen tussen ondernemingen. In deze fase verandert louter de naam.

5.     Boekhoudverplichting

Het ondernemingsbegrip werd zoals hierboven aangegeven aanzienlijk verruimd. Dit kent ook zijn weerslag op de boekhoudverplichting. Ook artikel III.82 WER dat een opsomming geeft van de boekhoudplichtige ondernemingen werd aangepast.

Artikel III.82 WER koppelt het terug naar het algemene ondernemingsbegrip van artikel I.1. en opteert er op die manier voor om de algemene wettelijke boekhoudverplichtingen op te leggen aan natuurlijke personen die zelfstandig een beroepswerkzaamheid uitoefenen, verenigingen en stichtingen en organisaties zonder rechtspersoonlijkheid.
De belangrijkste wijziging wat betreft de onderwerping aan de boekhoud- en inventarisverplichtingen situeert zich bij de organisaties zonder rechtspersoonlijkheid. Er worden wel een aantal uitsluitingen opgenomen doch deze zijn reeds grotendeels terug te vinden in bestaande boekhoudreglementeringen.

Dit betekent dus dat ook de maatschap voortaan een boekhoudplichtige onderneming is. Voor de maatschappen met een jaaromzet van maximaal 500.000,- euro bestaat wel de mogelijkheid om een vereenvoudigde boekhouding te voeren.

De onderwerping aan de boekhoudplicht geldt in principe vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe wet, zijnde 1 november 2018. De bestaande ondernemingen die nu wel boekhoudplichtig worden, krijgen nog wat uitstel.
Volgens de overgangsbepaling zijn zij pas boekhoudplichtig vanaf het eerste volledige boekjaar dat een aanvang neemt na 1 mei 2019. Er wordt echter wel in de mogelijkheid voorzien voor de Koning om deze termijn  te vervroegen.

Daarnaast rijst dan ook de vraag of dergelijke maatschappen verplicht worden een jaarrekening neer te leggen en te publiceren. Deze materie wordt geregeld in het Wetboek van Vennootschappen, waar de verplichting enkel wordt opgelegd aan vennootschappen met rechtspersoonlijkheid.  Het WER stipuleert dat de boekhoudplichtige ondernemingen die geen vennootschap zijn, ter zake toch de regels van het vennootschapsrecht dienen na te leven en verwijst aldus naar het Wetboek van Vennootschappen. Het is dus nog onduidelijk hoe deze verwijzing zal worden geïnterpreteerd.

DERDE FASE: Nieuw wetboek vennootschappen en verenigingen 

Op 28 februari 2019 werd na lang wachten het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV) goedgekeurd in de Kamer. De wet treedt in werking op 1 mei 2019.

Het nieuwe wetboek verwijdert de obstakels die tot op heden verhinderen dat een Belgische vennootschap naar het buitenland verhuist. Volgens de huidige wetgeving is hiervoor de ontbinding van de bestaande vennootschap en vervolgens de oprichting van een nieuwe buitenlandse vennootschap vereist. Met de nieuwe wetgeving zou het mogelijk worden om via een vrij eenvoudige procedure met gebruik van een notaris de Belgische vennootschap te laten emigreren naar het buitenland. Een vrij verkeer van vennootschappen wordt hierdoor dus mogelijk.

1.     Inwerkingtreding en overgangsregeling

De wet treedt in werking op 1 mei 2019. Vennootschappen die vanaf 1 mei 2019 worden opgericht vallen dus automatisch onder deze nieuwe wetgeving.

Voor bestaande vennootschappen is er voorzien in een overgangsregeling.

Eerst en vooral zal er voorzien worden in een opt-in mogelijkheid. Vanaf de inwerkingtreding zal iedere vennootschap vrijwillig de nieuwe regels kunnen toepassen. Dit zal echter wel een statutenwijziging vereisen. Vanaf dan valt de vennootschap onder de nieuwe regels.

Pas op 1 januari 2020 worden de nieuwe regels van toepassing voor bestaande vennootschappen. Dit zal het geval zijn ongeacht wat er in de statuten staat. Voor BVBA’s zal er dan niet langer een minimumkapitaal vereist zijn, wat tot gevolg heeft dat op dat ogenblik het kapitaal zonder enige statutenwijziging wordt omgezet in een onbeschikbare vermogensrekening. Is er toch een statutenwijziging dan wordt dat kapitaal uitkeerbaar zonder dat een kapitaalvermindering nodig is. Vanaf dat moment zullen bestaande vennootschappen inhoudelijk onderworpen zijn aan het nieuwe vennootschapsrecht ook al zijn hun statuten nog niet aangepast.

Vennootschappen krijgen tot 1 januari 2024 tijd om zich ook formeel te onderwerpen aan het nieuwe recht en de statuten aan te passen. Wanneer de vennootschap haar statuten wijzigt na 1 januari 2020, zal de vennootschap dienen te voldoen aan alle nieuwe regels.

Op 1 januari 2024 zal het nieuwe Wetboek Vennootschappen en verenigingen volledig in werking zijn.
De vennootschapsvormen die niet meer bestaan, worden beschouwd als van rechtswege omgezet. De wet zal dan bepalen welke regels die vennootschappen dienen te volgen.

2.     Onderscheidingscriterium tussen vennootschappen en verenigingen

De VZW-wet en de wet inzake beroepsverenigingen worden bijgevoegd in het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen.

Het nieuwe wetboek herdefinieert de begrippen vennootschap, de vereniging en stichting. Niet de aard van de activiteiten maar het nastreven van winstuitkering wordt na de hervorming het enige criterium voor het onderscheid tussen vennootschappen en verenigingen. Een vereniging mag dus wel winst maken zolang ze deze winst maar niet uitkeert aan haar leden, bestuurders of enige andere persoon. Hierover bestond tot op heden onzekerheid.

3.     Afschaffing onderscheid tussen burgerlijke en handelsvennootschappen

Het onderscheid tussen burgerlijke en handelsvennootschappen zal verdwijnen en alle vennootschappen zullen aan het ondernemingsrecht en marktrecht worden onderworpen. Alle vennootschappen vallen bijgevolg ook onder de bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank.  

4.     Invoering van de statutaire zetelleer

Daarnaast wordt ook het principe van de statutaire zetelleer ingevoerd. Hiermee volgt België het voorbeeld van zijn buurlanden waarbij de statutaire zetelleer reeds verankerd was en komt er een einde aan de werkelijke zetelleer.
Dit betekent dat het recht van het land waar de vennootschap werd opgericht en waar haar statutaire zetel gevestigd is, toepasselijk zal verklaard worden en niet van de plaats waar de werkelijke zetel van de vennootschap ligt.

Deze statutaire zetelleer beperkt zich evenwel tot het vennootschapsrecht en heeft dus geen gevolgen voor het fiscaal, insolventie- en milieurecht. Fiscaal blijft de werkelijke zetel het aanknopingspunt om te bepalen of een vennootschap fiscaal inwoner is van België en dus onderworpen is aan de Belgische vennootschapsbelasting.

Op deze manier ontstaat er een discrepantie tussen de nationaliteit van een vennootschap en haar fiscale woonplaats.
Men kan er dus niet langer van uitgaan dat een vennootschap die onderworpen is aan de Belgische belasting ook onderworpen is aan het Belgische vennootschapsrecht.

Om de fiscale neutraliteit te waarborgen wil de wetgever artikel 2 WIB aanpassen, er wordt een weerlegbaar vermoeden ingevoerd dat de vennootschap die haar statutaire zetel in België heeft ook haar voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer te hebben in België.  Het vermoeden blijft weerlegbaar omdat dit mogelijks op fiscaal vlak een
niet-residentie in beide lidstaten met zich kan meebrengen.

5.     Algemene bestuurdersaansprakelijkheid rechtspersonen

5.1.         Algemene aansprakelijkheid voor alle rechtspersonen

Met het nieuwe vennootschapsrecht wordt voorzien in een algemene aansprakelijkheidsregeling die zal gelden voor alle rechtspersonen. Voorheen werden de aansprakelijkheidsregelingen opgedeeld per vennootschapsvorm.

5.2.         Beperking bestuurdersaansprakelijkheid

Het nieuwe WVV voorziet daarnaast ook in een uitdrukkelijke beperking van de bestuurdersaansprakelijkheid.
Deze beperking zal zowel tegenover derden als tegenover de vennootschappen gelden.

Het opzet van de wetgever was om het hierdoor voor bestuurders eenvoudiger redelijke aansprakelijkheidsverzekeringen kunnen afsluiten. Daarnaast werkt men op deze manier ook het onderscheid weg ten opzichte van managers die als werknemers of via managementvennootschappen van een aansprakelijkheidsbeperking genieten.

Dit plafond zou gekoppeld zijn aan de gemiddelde omzet en het balanstotaal en bijgevolg aan de maatschappelijke en economische impact van de vennootschap. Deze plafonds voor alle bestuurders samen variëren van 125.000 € tot 12.000.000 €.

Het bestuur kan de aansprakelijkheidsbeperking inroepen per feit of geheel van feiten en geldt niet per bestuurder maar voor alle bestuurders samen. Een derde behoudt ten opzichte van de vennootschap wel zijn volledige vordering.

Er zijn wel enkele gevallen uitgesloten van de aansprakelijkheidsbeperking:

      • lichte fout die eerder gewoonlijk, dan toevallig voorkomt
      • zware fout
      • bedrieglijk opzet
      • oogmerk om te schaden (opzettelijke fout)
      • fouten tegen verplichtingen inzake o.a. het geldig inschrijven van aandelen, het volstorten van het kapitaal en de kapitaalsverhoging;
      • de hoofdelijke aansprakelijkheid voor fiscale schulden (onder bepaalde voorwaarden)
      • de hoofdelijke aansprakelijkheid voor sociale zekerheidsbijdragen (onder bepaalde voorwaarden)

Opgelet! Dit betekent dat feitelijk enkel nog de toevallige lichte fout onder de beperking zal vallen. Het toepassingsgebied van de beperkte bestuurdersaansprakelijkheid wordt op deze manier sterk ingeperkt.

Wij willen u er ook attent op maken dat zoals hierboven reeds uiteengezet, de bijzondere aansprakelijkheid na faillissement verhuisde naar het Wetboek Economisch Recht. (supra Deel I, punt 4) 

6.     Vier vennootschapsvormen

Van alle vennootschapsvormen worden er maar 4 behouden, zijnde de NV, BV (vervangt huidige BVBA), de coöperatieve vennootschap (CV) en de maatschap. De BV zal de basisvennootschap worden, terwijl de NV echt wordt voorbehouden voor de grote ondernemingen. Het zal wel mogelijk zijn deze vier vennootschapsvormen verder te moduleren en dus zullen er nog steeds verscheidene variatiemogelijkheden zijn.

Aan de Europese Vennootschap (EV), Europese coöperatieve vennootschap (SCE) en Europees Economisch Samenwerkingsverband (EESV) werd niet geraakt, zij vallen immers onder Europees toezicht.

6.1.         Besloten vennootschap of BV

De BVBA zal met de nieuwe wetgeving worden omgezet in een BV.

De gedachte achter deze vennootschapsvorm is om te voorzien in een flexibele vorm die aangewezen is voor kleinere en startende ondernemingen die ook in een internationale context kunnen worden gebruikt. Hierbij is het de bedoeling een breed aanvullend recht te creëren. Dit komt erop neer dat de wetgever voorziet in een set van rechtsregels waarvan de vennoten kunnen afwijken. Doen ze dit echter niet, dan zijn de wettelijke regels of default-regels van toepassing.

6.1.1.     Afschaffing kapitaalvoorwaarde

De meest besproken wijziging is de afschaffing van de kapitaalvoorwaarde. Tot op heden bedraagt het minimumkapitaal in een BVBA 18.550,- euro. De storting van een minimaal bedrag zal dus niet langer vereist zijn bij de oprichting van een BV.

Hierdoor wordt de S-BVBA, starter BVBA overbodig en bijgevolg dus afgeschaft.

Bij de oprichting wordt het begrip kapitaal vervangen door de term toereikend aanvangsvermogen. De aandeelhouders moeten wel nog steeds een inbreng verrichten maar zij mogen de omvang en de aard hiervan vrij bepalen.

Naast een inbreng in geld of in natura zal het ook mogelijk zijn om een inbreng van nijverheid te doen. De waardering van deze inbreng zal op dezelfde manier gebeuren als bij een inbreng in natura. Wanneer de ingebrachte nijverheid niet langer kan geleverd worden, dan worden de eraan verbonden aandelen vervallen verklaard.

De oprichting, net als de latere inbrengen van aandeelhouders in het eigen vermogen, dient te worden vastgelegd in een authentieke akte.

Daarbij zullen ook de kapitaalbeschermingsregels niet langer moeten worden nageleefd. De klassieke functies van kapitaal zullen dus enigszins op een andere manier moeten worden ingevuld.

      1. Enerzijds is er het kapitaal als verdeelsleutel voor de rechten van de vennoten. Vennoten zullen nog steeds een inbreng moeten doen maar de vennoten zullen zelf de aard en de omvang van de inbreng moeten bepalen. Wanneer de vennoten hier niet van afwijken, blijft de regel dat zowel de winstverdelingsrechten als het stemrecht evenredig zijn aan de inbreng gelden. De vennoten kunnen hier evenwel conventioneel anders overeenkomen.
        Wanneer de BV nieuwe aandelen uitgeeft hoeft de waarde van de inbreng van de investeerder niet gerelateerd te zijn aan het aandeel dat hij verkrijgt in de vennootschap. Het bestuur moet de uitgifteprijs van de nieuwe aandelen wel dienen te motiveren in het belang van de vennootschap.
      2. Anderzijds is er de impact van de afschaffing van de regels van schuldeiserbescherming. Het kapitaal heeft als functie te voorzien in een waarborg aangezien de schuldeisers niet kunnen raken aan het eigen vermogen van de vennoten. De schuldeisers hebben dan de zekerheid dat de vennootschap niet kan worden leeggehaald onder waarde van het minimumkapitaal. Deze schuldeisersbescherming valt nu echter weg. Er zal wel worden voorzien in andere beschermingsregels:
              • De wettelijke reserve verdwijnt, dit wordt bij bestaande BVBA’s omgezet naar een statutair onbeschikbare vermogensrekening.
              • Er wordt voorzien in een minimuminhoud van het financieel plan of anders gezegd een versterkt financieel plan.
              • Strengere regels over oprichtersaansprakelijkheid in het geval dat de vennootschap met een ontoereikend vermogen werd opgericht en daardoor schade veroorzaak aan derden.
              • Rem op uitkeringen uit de vennootschap aan de vennoten. Uitkeringen zullen worden onderworpen aan een dubbele uitkeringstest, namelijk een solvabiliteitstest/ balanstest en liquiditeitstest.

De nieuwe balanstest stipuleert dat geen uitkering mag gebeuren indien het eigen vermogen van de vennootschap negatief is of door de uitkering negatief zou worden.

Daarnaast kan een besluit van de algemene vergadering tot winstuitkering slechts uitwerking krijgen wanneer het bestuursorgaan via de liquiditeitstest vaststelt dat de vennootschap na die uitkering in staat blijft om haar schulden te voldoen over een periode van minstens één jaar.

      • Hoofdelijke aansprakelijkheid voor leden van de bestuursorganen en alle de facto bestuurders voor de schulden indien zij wisten dat de vennootschap ten gevolge van een uitkering niet langer in staat zou zijn om haar schulden te voldoen
      • Een aanpassing van de alarmbelprocedure. De huidige drempels zijn immers gebaseerd op het kapitaal en minimumkapitaal.

Het blijft wel mogelijk om de inbreng van de aandeelhouders op statutaire basis onbeschikbaar te maken. Voor de bestaande BVBA’s zal via de overgangsmaatregelen hun kapitaal worden omgezet in een onbeschikbare reserve die niet zal kunnen worden uitgekeerd. Om het eigen vermogen te kunnen uitkeren zal de BV haar statuten moeten wijzigen.

Omdat er geen kapitaal meer voorhanden is in de BVBA, hoeft er ook geen uitgiftepremie worden voorzien bij een kapitaalverhoging omdat de waarde van de nieuwe aandelen in overeenstemming te brengen met de waarde van de bestaande aandelen. Een akkoord tussen de BV en de inbrenger over het aantal aandelen en de te betalen inbreng is  op zich voldoende.

De notie kapitaal wordt ook gebruikt in verschillende fiscaalrechtelijke bepalingen. De Belgische fiscale wetgeving werd eveneens gewijzigd om de fiscale neutraliteit van de nieuwe vennootschapsrechtelijke regels te verzekeren. Hierop komen wij verder nog terug.

6.1.2.     Éénhoofdigheid

Net zoals de BVBA zal ook de BV eenhoofdig kunnen worden opgericht en bestaan. De beperkingen omtrent de aansprakelijkheid zullen evenwel worden opgeheven. Er wordt bijgevolg ook niet meer gesproken over een E-BVBA.  

6.1.3.     Begrip bestuurder en bestuurdersaansprakelijkheid

Het bestuur van de nieuwe BV zal zowel de vorm kunnen aannemen van een collegiaal bestuursorgaan als van individueel bevoegde zaakvoerders. Er zal worden overgeschakeld op het begrip bestuurder zoals in de NV en dus zal er niet langer sprake zijn van de zaakvoerder.

Daarnaast is er ook sprake van een wijziging betreffende het plafond van bestuurdersaansprakelijkheid. Dit werd hierboven reeds uiteengezet. 

6.1.4.     Besloten karakter en uitgifte van effecten

Het besloten karakter blijft wel behouden bij de BV maar ook hier hebben de vennoten de mogelijkheid hiervan af te wijken. De vennoten zullen dus kunnen kiezen voor de vrije overdraagbaarheid van de aandelen waardoor de BV ook een heel open vennootschap kan worden.

Bij de overdracht van een niet volstort aandeel zijn zowel de overdrager als overnemer hoofdelijk gehouden tot volstorting.

Het wordt mogelijk om in de nieuwe BV naast aandelen ook converteerbare obligaties, winstbewijzen en inschrijvingsrechten uit te geven. Deze obligaties en inschrijvingsrechten zullen dan het voor aandelen gekozen overdraagbaarheidsstelsel volgen. Dit moet het mogelijk maken om meer extern vermogen aan te trekken.

Daarnaast zal de BV ook een publiek beroep op het spaarwezen kunnen doen.

Binnen de categorie van de aandelen zullen er “soorten” of “klassen” kunnen gevormd worden waaraan dan verschillende rechten kunnen verbonden worden. Er gelden wel enkele minimumvereisten: minstens één aandeel moet stemrecht hebben, alle aandelen moeten op naam zijn, elk aandeel moet vermogensrechten hebben.

6.1.5.     Inkoop van eigen aandelen

Het nieuwe WVV voert een versoepeling door in de voorwaarden voor de inkoop van eigen aandelen en certificaten door de BV.

Onder de huidige wetgeving mocht de waarde van de ingekochte aandelen nooit meer bedragen dan 20% van het geplaatste kapitaal. Het nieuwe WVV schaft deze voorwaarde af. De statuten kunnen wel een maximumpercentage vastleggen alsook een minimum- of maximumvergoeding die verschuldigd zal zijn.

Deze inkoop van eigen aandelen zal ook onderworpen aan de balans- en liquiditeitstest die hierboven reeds werd uiteengezet (supra, deel III, nr. 5.1.1.). De BV zal dus sowieso maar zoveel aandelen kunnen inkopen als het uitkeerbaar vermogen toelaat.

Het aanbod tot aankoop dient wel nog steeds aan alle aandeelhouders van hetzelfde soort effecten onder dezelfde voorwaarden gericht. De algemene vergadering kan hier wel van afwijken.

Ook de voorwaarde dat de aandelen die de BVBA heeft ingekocht binnen een termijn van 2 jaar terug moeten worden vervreemd, wordt afgeschaft. Net zoals bij de NV zal het voor de BV mogelijk zijn om de aandelen onbeperkt in portefeuille te houden of te vernietigen. Deze vernietiging vereist evenwel een statutenwijziging.

6.2.         Naamloze vennootschap (NV)

De wijzigingen in de NV zijn van minder verregaand. Bij de NV wordt wel het concept kapitaal alsook de minimumkapitaalvereiste van 61.500 euro behouden.

De bedoeling van de wetgever is de NV voor te behouden voor bepaalde grote vennootschappen en de genoteerde vennootschappen. De NV zal dus vooral gebruikt worden door structuren waar veel kapitaal wordt samengebracht.

6.2.1.     Het bestuur en bestuurdersaansprakelijkheid

De meeste regels worden gewoon overgenomen in het nieuwe wetboek. Toch zullen er op vlak van bestuur enkele wijzigingen worden doorgevoerd. Het zal mogelijk zijn voor de oprichters van de NV om het bestuur op drie verschillende manier te organiseren.

      1. Ten eerste kan men opteren voor een monistisch bestuur. De NV wordt bestuurd door een raad van bestuur die een collegiaal orgaan is. Dit is onder het bestaande wetboek van vennootschappen het enig mogelijke model.
      2. De statuten kunnen daarnaast bepalen dat de NV bestuurd wordt door één enkele bestuurder.
      3. Tot slot kunnen de oprichters kiezen voor een duaal bestuur. Het bestuur wordt in dat geval waargenomen door een raad van toezicht en een directieraad. Beide raden zijn collegiale organen en moeten ten minste drie leden tellen.

Het monistisch bestuur blijft echter wel de algemene regel en zal van toepassing zijn wanneer men niet uitdrukkelijk voor één van de andere twee opties heeft gekozen.

De ad nutum herroepbaarheid van het bestuursmandaat werd tot op heden beschouwd als een regel van openbare orde. Hier kon dus niet van afgeweken worden. Het WVV maakt deze regel van aanvullend recht. Men kan dus in de statuten laten opnemen dat bij beëindiging van het mandaat in een opzeggingstermijn en vertrekvergoeding moet worden voorzien.

Ook hier wordt ook instellen van een plafond op de bestuurdersaansprakelijkheid ingevoerd, zoals hierboven reeds uiteengezet.

6.2.2.     Tweehoofdigheid wordt afgeschaft

Het principe dat een NV altijd minsten twee aandeelhouders moet tellen wordt door het WVV afgeschaft.
Een enkele persoon zal dus een NV kunnen oprichten en aandeelhouder zijn zonder dat deze enige aandeelhouders op een gegeven ogenblik borg staat voor de verbintenissen van de vennootschap.

De enige aandeelhouder kan een natuurlijke of rechtspersoon zijn.

6.2.3.     Meervoudig stemrecht

De regel dat aan elk aandeel slechts één stem kan verbonden zijn wordt van aanvullend recht.

Er zullen dus binnen de NV aandelen kunnen worden uitgegeven met een meervoudig stemrecht alsook aandelen zonder stemrecht. De enige voorwaarde is dat er steeds minstens één aandeel moet bestaan waaraan stemrecht(en) is verbonden.

Voor de genoteerde vennootschappen verbond men hier wel bijkomende voorwaarden aan.
Enkel aan de “trouwe” aandeelhouders, zijnde deze die hun volgestorte aandelen ononderbroken gedurende twee jaren hebben aangehouden, kan een dubbel stemrecht worden toegekend.

6.2.4.     Interimdividenden

Voorheen kon het bestuur een interimdividend toekennen voor zover dit voorzien was in de statuten.
Het bestuursorgaan kon dit enkel doen tijdens de laatste zes maanden van het boekjaar voor zover zij een termijn van
3 maanden respecteerde tussen elk interimdividend en enkel op de winst van het lopende boekjaar.

Deze termijnen worden door het nieuwe WVV afgeschaft, het zal dus mogelijk zijn om gedurende het hele boekjaar en met een zelf gekozen frequentie. Daarnaast zullen niet enkel de winsten van het lopende boekjaar maar ook winsten vorige boekjaar kunnen worden gebruikt zolang de jaarrekening over het vorige boekjaar niet werd goedgekeurd.

6.2.5.     Inkoop van eigen aandelen

Net zoals bij de BV wordt ook voor de NV de voorwaarde dat de waarde van de ingekochte aandelen nooit meer mag bedragen dan 20% van het geplaatste kapitaal afgeschaft.

Daarnaast wordt ook de bijzondere meerderheid vereist voor de goedkeuring verlaagd van 80% naar 75%.

6.3.         De coöperatieve vennootschap

Deze rechtsvorm krijgt een andere invulling in het nieuwe vennootschapsrecht. Tot op heden bestaan er twee vormen van coöperatieve vennootschappen. Ten eerste de CV met beperkte aansprakelijkheid (CVBA) en daarnaast de CV met onbeperkte en hoofdelijke aansprakelijkheid van de vennoten (CVOA).

Enkel de huidige CVBA zou behouden blijven en krijgt voortaan de naam CV. Deze vennootschapsvorm zal gebruikt kunnen worden voor vennootschappen met een coöperatief gedachtengoed. Het gaat over vennootschappen die tot voornaamste doel hebben aan de behoeften van hun aandeelhouders te voldoen en hun economische en sociale activiteiten te ontwikkelen. Indien vennootschappen niet voldoen aan dit gedachtengoed, kan het openbaar ministerie of iedere belanghebbende de ontbinding vorderen voor de rechtbank.

De CV zou de bepalingen omtrent de BVBA volgen. Hier blijft het principe van een minimum van drie oprichters en vennoten wel behouden. Ook de CV wordt dus een kapitaalloze vennootschap

Gelet op de afschaffing van de vennootschap met sociaal oogmerk zal in de toekomst enkel een CV een bijzondere rekening als sociale onderneming kunnen verkrijgen.

6.4.         De maatschap

In het huidige recht bestaan er een veelheid aan vennootschapsvormen waar de onbeperkte aansprakelijkheid de regel is.

Zo bestaan op vandaag de maatschap, de tijdelijke handelsvennootschap (THV), de stille handelsvennootschap (SHV),
de vennootschap onder firma (VOF) en de commanditaire vennootschap (Comm.V.). Binnen elk van deze vormen kan dan nog gekozen worden voor een commerciële of burgerlijke variant. Het onderscheid tussen handelsvennootschap en de burgerlijke vennootschap wordt afgeschaft.  

Met de nieuwe hervorming zal enkel de maatschap overblijven. De maatschap vormt dan de basisvennootschap van gemeen recht en de eigenschappen van de andere vennootschappen kunnen hier dan worden aan toegevoegd.
Het zal dus mogelijk zijn om de maatschap te moduleren.

De VOF en Comm.V. blijven dus eigenlijk wel bestaan maar worden beschouwd als een variant op de maatschap en hebben (onvolkomen) rechtspersoonlijkheid. Indien er enkel onbeperkt en hoofdelijk aansprakelijke vennoten heeft dan zal zij kwalificeren als VOF. Zijn er naast de onbeperkt en hoofdelijk aansprakelijke vennoten ook nog beperkt aansprakelijke vennoten die niet deelnemen aan het beheer dan zal zij kwalificeren als Comm.V..

7.         Verenigingen en stichtingen

Bij de verenigingen en stichting worden de verschijningsvormen minder ingrijpend ingeperkt. Zo zal het niet mogelijk zijn om een vereniging eenhoofdig op te richten, hier blijft de vereiste van 2 of meerdere oprichters behouden.

7.1.         Geen verbod op commerciële activiteiten, wel winstuitkeringsverbod

De definitie van vereniging zal worden aangepast. Verenigingen zullen onder de nieuwe wetgeving economische activiteiten kunnen uitoefenen. Het onderscheid tussen vennootschappen en verenigingen wordt immers niet langer gemaakt op basis van de activiteiten.

Het belangeloos doel en bijgevolg het uitkeringsverbod blijven wel behouden, het uitoefenen van economische activiteiten heeft immers niet tot gevolg dat de winsten hiervan niet zomaar kunnen worden uitgekeerd. De winsten zullen enkel kunnen worden aangewend in het kader van het belangeloos doel van de vereniging. De Vereniging zonder Winstoogmerk wordt dus een Vereniging zonder winstuitkeringsoogmerk.

Hierbij is er wel een aandachtspunt betreffende de fiscale wetgeving. Om onder de rechtspersonenbelasting te ressorteren is het vereist dat de commerciële activiteiten een bijkomstig karakter hebben. Wanneer aan deze voorwaarde niet wordt voldaan zal de vereniging onder de vennootschapsbelasting vallen.[i] Het overschrijden van het bijkomstig karakter zal op basis van de feiten door de fiscus en de rechtbank worden beoordeeld.

7.2.         Kwalificatie als onderneming

Zoals reeds aangehaald is de grootste nieuwigheid dat elke VZW met de nieuwe wetgeving als een onderneming kwalificeert. Dit heeft tot gevolg dat het insolventierecht van toepassing zal zijn. Een vzw zal bijgevolg failliet kunnen worden verklaard en ook de gerechtelijke reorganisatie zal tot de mogelijkheden behoren.

7.3.         Bestuurdersaansprakelijkheid

Daarnaast zal ook de regelgeving aangaande de bestuurdersaansprakelijkheid voortaan van toepassing zijn op de vereniging. De bestuurders zullen hoofdelijk aansprakelijk kunnen zijn voor fouten die het bestuursorgaan als college begaat bij uitoefening van het bestuur. Dit betreft naast de gemeenrechtelijke aansprakelijkheidsgronden ook enkele bijzondere aansprakelijkheidsgronden, zoals de bestuurdersaansprakelijk voor kennelijk grove fout die tot het faillissement heeft bijgedragen alsook de nieuwe aansprakelijkheidsgrond van ‘wrongful trading’. De wetgever voorziet wel om deze aansprakelijkheid te beperken in functie van de omzet en het balanstotaal van de vereniging.

7.4.         Schriftelijke besluitvormingsprocedure

Analoog met de vennootschappen wordt een (beperkte) schriftelijke besluitvormingsprocedure voor het bestuursorgaan ingevoerd, de coöptatie van bestuurders wordt mogelijk en de algemene ledenvergadering moet voortaan de begroting niet meer jaarlijks goedkeuren. Deze regels zijn evenwel van aanvullend recht, er kan een andere regeling worden uitgewerkt in de statuten.

Daarnaast wordt er ook ingezet op modernisering. Het zal mogelijk worden om in de statuten de website als een
e-mailadres van de vereniging alsook van de leden en bestuurders. De communicatie gericht aan de e-mailadressen opgenomen in de statuten zal geacht worden rechtsgeldig te zijn gebeurd. Dit is optioneel, maar als men van deze modernisering gebruik wenst te maken dient men dit op te nemen in de statuten.

8.         Fiscale impact van deze wijzigingen

Het WVV werd grondig gewijzigd wat ook gevolgen had voor bepaalde fiscale wetsbepalingen. Ook al poneerde de wetgever dat deze hervorming “fiscaal-neutraal” te zijn, toch zijn er enkele punten op fiscaal vlak waaraan aandacht moet worden besteed.

8.1.         Afschaffing van het begrip kapitaal in de BV

Het boekhoudrecht en de fiscale wetgeving werden aangepast om de afschaffing van het kapitaalbegrip op te vangen.

Het fiscaal recht voorziet nu in een eigen fiscale definitie van de notie “kapitaal” om de fiscale neutraliteit van de nieuwe vennootschapswetgeving te garanderen. Het begrip kapitaal werd vervangen door het begrip ‘eigen vermogen’.

 Het schrappen van de kapitaalvereiste had ook een invloed op de VVPRbis-regeling.  Kleine vennootschappen kunnen via die regeling genieten van een verlaagde roerende voorheffing van 20 of 15 %. Er dienen dan wel een aantal voorwaarden gerespecteerd worden waaronder ook het volstorten van de aandelen en dit voor minstens het minimumkapitaal van een bvba (EUR 18.550). Gelet op het feit dat de minimumvereiste van kapitaal voor bv’s wegvalt, is het nu mogelijk om een vennootschap op te richten en dus ook VVPR-bis aandelen te creëren zonder te voldaan aan de minimumkapitaalvereiste.  

8.2.         Inbreng in nijverheid: fiscale gevolgen

Daarnaast zal kapitaal zal bij de inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving kunnen ingebracht worden op drie manieren, namelijk in geld, in natura of nijverheid. De inbreng van geld en natura bestonden ook reeds onder de huidige wetgeving, de inbreng in nijverheid is daarentegen wel nieuw.  Dit doet de vraag rijzen hoe de wetgever de inbreng in nijverheid zal willen belasten.

Zal de overdracht moeten worden opgenomen in de aangifte personenbelasting als beroepsinkomen? Het verrichten van arbeid/diensten is een economisch en bijgevolg btw-plichtige activiteit. Zal de inbrenger een factuur dienen op te stellen waarop btw verschuldigd is? Over deze elementen bestaat tot op heden geen duidelijkheid.

8.3.         Overgang van rechtspersonenbelasting naar vennootschapsbelasting en omgekeerd

Zoals reeds eerder aangehaald, wordt met de nieuwe wet het criterium “commerciële activiteiten” als onderscheid tussen vennootschappen en rechtspersonen afgeschaft. Het onderscheid zal dus niet langer worden gemaakt op basis van activiteiten maar wel op basis van het criterium “winstuitkering”.

Fiscaal dient wel de nodige voorzichtigheid aan de dag worden gelegd. Om onder de rechtspersonenbelasting te ressorteren is het vereist dat de commerciële activiteiten een bijkomstig karakter hebben. Wanneer aan deze voorwaarde niet wordt voldaan zal de vereniging onder de vennootschapsbelasting vallen.

9.         Statutendatabank (art. 2:7 § 2 WVV)

Met ingang van 1 mei 2019 is ook de statutendatabank beschikbaar. De statutendatabank houdt alle versies van de statuten van rechtspersonen bij die voortkomen uit in België verleden authentiek akte.

Deze wettelijke databank maakt deel uit van het publieke dossier van de rechtspersoon en is gratis raadpleegbaar.

De databank bevat echter wel alleen de gecoördineerde versie van statuten die vanaf 1 mei 2019 worden verwerkt.
Alle versies die op een eerdere datum betrekking hebben kunnen nog steeds op de griffie van de ondernemingsrechtbank van de zetel van de rechtspersoon worden geraadpleegd.

 
Bebotax BV
Steenweg Deinze 124 B
B-9810 Nazareth - België

+32 (0)9 384 93 39
webmaster@bebotax.com
RPR Gent afd. Gent - BTW BE 0438.569.761
Belangrijke informatie
Disclaimer
Laatst gewijzigd : 23/12/2025
@notifyRender